Zilveren maan Parelmoervlinders [Nymphalidae] Boloria selene
    De Zilveren maan is in 2002 niet gezien in 't Laegieskamp. Dat was ook niet erg waarschijnlijk, want er is geen geschikt biotoop aanwezig voor deze vlinder.
Het is een van de doelsoorten van het nat ecolint Naarden, dat via de Karnemelksloot het Gooimeer verbindt met de Ankeveense Plassen.
Meer daarover is te vinden in: P. van der Linden, W. van der Schot, Ecolint Naarden, de natuur verbonden, Vrienden van het Gooi, jrg. 1998, nr. 1, pp. 5-16.
 
  Zie:   Vliegtijden tabel
 
 
  Verspreiding: Een vrij zeldzame standvlinder, vooral te vinden in besloten natte graslanden vlakbij moerassen, vennen of broekbossen waar het moerasviooltje groeit.
De soort is heel kritisch, en de waardplant ook. Dat maakt beide erg kwetsbaar.
Komt sinds 5 jaar niet meer voor in 't Gooi. Laatste vindplaats vlakbij het Gooi was bij de Kromme Rade, net ten zuiden van het Gooi. Voor 1980 kwam de soort in Nederland in 288 hokken voor, erna in 52 hokken, waarvan vier in de omgeving van Loosdrecht. In de laatste vijf jaar is dat terug gelopen tot 15 populaties in het hele land.
De soort wordt genoemd in het artikel van Kars Veling,  Vlinders Tussen Vecht en Eem, Bron: TVE, 11e jrg., nr.4, 1993, pp. 183-188.
 
  Waardplant: De belangrijkste waardplant is het moerasviooltje. Maar ook het hondsviooltje en het duinviooltje worden gebruikt. Daarvan moeten er veel zijn. Minimaal 25 planten per vierkante meter. Bij 25 planten moet het terrein 5 hectare groot zijn, bij 50-200 viooltjes per vierkante meter volstaat een halve hectare voor een gezonde populatie vlinders. De begroeiing moet ijl en laag zijn om het mogelijk te maken dat de vlinder de eitjes kan afzetten op de viooltjes.  
  Dagbesteding:   Zo'n 31 % van de dagelijkse activiteit is nectar zoeken bij een dertien tal planten. De top zes van nectarplanten bestaat uit kattenstaart, kale jonker, adderwortel, moerasviooltje, bosandoorn en blauwe knoop.  
  Generaties:   Soms een, soms twee. De eerste generatie vliegt van begin mei tot half juli (piek: 25 mei tot 15 juni), en de tweede vliegt van begin juli tot half september (piek: tussen 25 juli en 5 augustus). Een enkele keer heeft de soort zelfs een derde generatie rond half september.  
  Overwintering:   Als rups in een opgerold, verdord blad.  
  Vlucht:   De soort vliegt over voedselarme natte tot moerassige graslanden met broekbossen in beekdalen via moeras- en overbegroeiing, slootranden en natte graslanden.  
  Beheer:   Groot aanbod van nectarplanten tijdens eerste en tweede generatie.
hoge waterstand in de winter (plas-dras) en oppervlakkige opdroging in de zomer.
Het leefgebied moet verbonden zijn met andere leefgebieden.
De wortelzone van het moerasviooltje mag niet verzuurd zijn.
De viooltjes zijn erg gevoelig voor lage waterstanden in de winter.
Vermesting door inlaat van gebiedsvreemd water, betekent het einde van het moerasviooltje
 
dagvlinders=>zilveren maan