Oranje zandoogje Zandoogjes [Nymphalidae, Satyrinae] Pyronia tithonus
    Het Oranje zandoogje was in de jaren 1980-1990 vrijwel uitgestorven in het Gooi, maar is bezig met comeback. Rond 1993 meldde een KNNV-lid in Amsterdam Oranje zandoogjes gezien te hebben in de vestingwallen van Naarden.
In 2003 zag ik een foto van een Oranje zandoogje op de website van IVN-Amersfoort. En ook uit het Diemerbos zijn meldingen van Oranje zandoogjes in 2003-2005. Maar in 't Laegieskamp heb ik ze in 2002 niet gezien.
 
  Zie:   Vliegtijden tabel  
  Foto's:   De foto's zijn gemaakt langs de IJzeren Rijn, in het Meinweg gebied.
Foto mannetje, Foto vrouwtje.
 
 
  Verspreiding:   Is een algemene standvlinder. Komt vooral voor in ruigten en ruige graslanden in een bosrijke omgeving, langs bosranden, in bosweiden, en in met bos begroeide heide. In landbouwgebieden komt de vlinder ook voor, bij houtwallen, slootranden en bloemrijke dijken.
Kwam vroeger voor in twee aangrenzende uurhokken in het Gooi, vanaf de kust bij Huizen (Limitische heide) tot in de vestingwallen van Naarden.
 
  Waardplant:   De vlinder zet de eitjes af op allerlei grassoorten op meestal licht beschaduwde plaatsen, vaak in de nabijheid van struikgewas (jonge eiken, braam o.a.) Soms worden de eitjes afgezet op het struikgewas. Sommige vrouwtjes laten de eitjes gewoon vallen vanuit de lucht. Rups verpopt, hangend aan verdord gras of bladeren, en aan verdorde takken die op de grond liggen.  
  Dagbesteding:   Zo'n 43% van de dag besteedt de vlinder aan nectar zoeken. Zo'n 54 soorten planten kunnen wordeen bezicht. De meest bezochte zijn braam, dopheide, koninginnenkruid, struikheide, akkerdistel, jacobskruidkruid, sporkehout, kale jonker en wilge liguster.  
  Generaties:   Een generatie per jaar. Vliegt van eind juni tot half september (piek: 15 juli tot 20 augustus).  
  Overwintering:   Overwintert als rups.  
  Vlucht:   Vlinder richt zich op een kleinschalige infrastructuur van ruigten langs bosranden, houtwallen, struiken, hagen, sloten en dijken. Eileggers oriënteren zich op ruig grasland nabij bos of struikgewas. Nectarzoekers oriënteren zich op ruigten, struikgewassen en heidevelden.  
  Beheer:   Geleidelijke overgangen van begroeiingszomen van laag naar hoog. Bosranden en houtwallen mogen niet kaarsrecht zijn, moeten inhammen hebben als beschutting tegen de wind. Extensieve begrazing is beter voor de ontwikkeling van die ruigten. Maaien moet gefaseerd gebeuren omdat eieren, rupsen en poppen zich in het maaisel bevinden.
In juli en augustus is er een grote nectarbehoefte, en dat is te realiseren door een groot aanbod van nectarplanten in ruigten, struikgewas en heide.
 
  Observaties:   Een groot deel van de waarnemingen vindt plaats in hakhoutbossen en berkenbroekbossen, op natte en droge heiden en op graslanden in de nabijheid van bos of houtwallen. Vaak zitten de oranje zandoogjes in de lijnvormige elementen in het landschap (zomen) en meestal in soortenarmen begroeiingen in een soortenarme omgeving. De grootste aantallen bevinden zich in Zeeland, Oost-brabant, Noord-Limburg en Drente. De Utrechtse heuvelrug en de Veluwe doen het niet meer zo goed voor dit vlindertje.  
dagvlinders=>oranje zandoogje