Excursies SpoorzichtHet Diemer Platform Spoorzicht Groen organiseert natuurexcursies in park Spoorzicht. Er zijn excursies geweest voor zowel publiek als voor selecte gezelschappen. Enkele ervan staan hieronder vermeld. |
|
Excursie bramen, zaden en paddestoelen (10 september 2000) |
||
| Deze excursie ging over de rijkdom van de natuur en de vele eetbare of nuttige planten en paddestoelen in de natuur van Spoorzicht.
Het park bood weer volop bekijks met tranende Toevige labyrintzwammen, Geel schijfzwammetje op braam, allerlei kleurrijke slijmzwammen die duidelijk uitwaren op groepssex, parende houtpanserjuffers, langs snellende paardenbijters, en volslagen onbekende rupsen in vergadering bijeen. |
Excursie waarom groeit er wat er groeit? (11 juni 2000) |
||
| Typering: spontaan ontstaan en verjongend essen-iepen bos | ||
|
|
Het bos kenmerkt zich door:
|
| Er staan natuurlijk veel meer soorten, maar dit zijn de meest typerende planten en mossen voor het vegetatietype. Of dit type blijvend is, is nog maar de vraag. Sommigen verwachten dat het elzenbroek zal worden, zoals het meeste bos in Diemen.
Het is pas sinds 1992 dat een boer uit de omgeving met het maaien van alle velden is gestopt. Hij stopte ermee omdat het terrein te nat werd voor zijn zware machines, de elzen overal opschoten en het terrein in snel tempo veroverden. Er was geen doorkomen meer aan. Het is pas sinds 1985 dat de bemaling van het terrein gestopt is. De invloeden ervan zijn nog niet allemaal zo zichtbaar. Veel bomen en struiken passen zich aan, aan een natte tijd die even wat langer duurt dan anders. Regenwater stagneert zichtbaar op allerlei plekken en leidt dan tot langdurige plas dras omstandigheden. Dat noopt bomen om minder diep en vooral breder te wortelen om toch stabiliteit te vinden. |
| Bomen met penwortels leggen het daarom nu af; ze worden ziek en schimmelen weg. Andere bomen zijn nu plotseling in het voordeel: essen, iepen, wilgen en elzen wortelen relatief oppervlakkig. Maar veel bomen die hier oorspronkelijk zijn aangeplant, zijn geheel of bijna verdwenen, zoals eik en berk. Ze horen thuis op net iets drogere grond. Of zoals meidoorn en hazelaar. Ze hebben een lichtbehoefte die groter is dan ze kregen onder de kroon van es en iep. |
|
De minst geschikte plekken bleven open. Dat zijn vooral plekken met verharde ondergrond. Tegelpaden, graffelbaan, kleibulten. Regenwater kan daar niet weg, en bomen staan op die plekken van najaar tot voorzomer daadwerkelijk met de voeten in het water, met steeds wisselende waterstanden.
Als er iets is waar zwarte els en moeraswilgen niet van houden dan is het dat: 'getijden', wisselende waterstanden. |
|
De rest groeide dicht. En in de schaduw onder de elzen begonnen zaailingen van es en iep te kiemen.
Pas nadat ook de bemaling gestaakt was, zijn de griendwilgen (schietwilg, katwilg) opgeschoten, terwijl de grauwe wilg (moeraswilg) en de amandelwilg (schaduwwilg) al iets langer aanwezig zijn. Pas daarna zijn de meeste berken overleden, en iepen ziek geworden. De meeste jonge essen op het terrein (spontane uitzaaiing) zijn al acht tot tien jaar oud voor je ze ziet staan. In de begin jaren groeien ze zeer traag. Dit in tegenstelling tot een typische pionierboom zoals de zwarte els die zo snel groeit dat je in twee-drie jaar al tegen een stevige boom opkijkt. Essen en iepen kiemen goed in de schaduw. Wilgen kiemen alleen bij voldoende licht, bij voorkeur in volle zon. Alleen de amandelwilg kiemt ook goed in schaduw. |
| Bomen beinvloeden wat er in de kruidlaag groeit.
Elzen raken vrij vroeg in het blad, maar raken dat in augustus kwijt aan het elzenhaantje, en in september maken ze nieuw blad.
Grasondergroei typeert de lente en de herfst. Engelwortel, brandnetel, braam, harig wilgenroosje en koninginnekruid de zomertijd.
Essen en iepen schieten eind mei in het loof. Hun bladerdek is dan zo vol dat het bijna alle licht wegvangt. Onder essen en iepen tref je vooral voorjaarsbloeiers aan, zoals speenkruid, fluitekruid. De bosrand vangt meer licht. Je treft er tal van zon- en schaduw minnaars, zoals bereklauw, engelwortel, dolle kervel en zevenblad (alle schermbloemigen). Pas als wilgen ouder worden, bepalen ze de ondergroei. Wilgen zijn echte lichtminnaars. Jong zijn het ijle sprieten. Pas op oudere leeftijd nemen ze veel licht weg. Je kan aan de bestaande begroeiing vaak al zien waar wilgen zullen gaan komen: heen, biezenknop, mattenbies, pitrus, bitterzoet, kattenstaart, gewone wederik, gele lis, waterweegbree, riet en veel vlottend gras, soms mannagras. |